Overpeinzingen

Het is eind september 2000. Mijn vriend en ik gaan een paar dagen wandelen in de franse Alpen. We hebben beiden de rugzak volgestouwd om gedurende een dag of 5 in de bergen te kunnen overleven. Een goeie stafkaart, tent, warme kleren en eten voor een tijdje.

We laten de auto achter en wandelen fris als een hoentje de bergen in. De zon schijnt, er staat geen wind, de herfstkleuren zijn fantastisch en overal om ons heen fascinerende bergen. De rugzak bevat voldoende eten, er is werkelijk niets waar we over hoeven piekeren. Het is puur genieten. Het voelt als lopen we in het paradijs.

De volgende ochtend lopen we verder en nog heeft het paradijselijk gevoel de overhand. De derde dag verloopt echter iets anders. Halverwege de dag belanden we boven op een berg. De kaart vertelt ons dat we aan de noordkant de berg af moeten dalen. Het ziet er niet zo vriendelijk uit, maar goed, volgens de kaart is het een goed begaanbare route. Vol goede moed beginnen we aan de afdaling, maar het duurt niet lang of ik zit letterlijk in doodsangst vastgeklampt aan de berghelling die zo ongeveer loodrecht naar beneden loopt en bovendien voorzien is van plukjes ijs. M'n vriend blijft rustig en loodst me uiteindelijk heelhuids de helling af. Dat nooit weer!

Dit blijkt slechts het begin. Eenmaal beneden aangekomen klopt de omgeving niet meer met de kaart. We zijn verdwaald. Aan het eind van de dag zetten we de tent op en hebben geen idee waar we zijn. Die nacht slaap ik slecht. Waar zijn we, hebben we voldoende eten? waar moeten we heen?

De volgende ochtend ontdekken we dat we een verkeerde berg zijn overgeklommen en daarmee de grens met Italie zijn gepasseerd. We weten nu gelukkig weer waar we zijn en zoeken een route terug naar Frankrijk. Maar net als die gedachte ons een beetje opbeurt, komen de wolken naar beneden en wordt het zicht bijzonder slecht. We lopen en lopen in de dichte mist en denken nu maar aan een ding. We moeten op zoek naar een rivier. Volgens de kaart lopen overal prachtige rivieren waaruit we ons water zouden kunnen halen, maar omdat het inmiddels aan het eind van de zomer is zijn de meeste rivieren drooggevallen. We zien niets in de dichte mist en spitsen daarom onze oren om stromend water op te speuren. We voelen ons bijzonder eenzaam. Letterlijk Godverlaten en alleen. Is dit ballingschap? Onze wereld is niet groter dan vijf meter in het rond en wordt beheerst door angst om zonder water de nacht door te moeten. Uiteindelijk vinden we een plekje waar we de tent kunnen opzetten, bij een rivier. We zijn moe en terneergeslagen, hoewel het een hele opluchting is om water te kunnen drinken. We zitten in ons tentje uit te rusten en staren in de dichte mist. Het is net alsof we als een rups de bergen door zijn geklauterd en dat we nu als een pop in een cocon van mist zitten te wachten tot de winter voorbij is.

Maar dan opeens breekt de mist open, een zachte windvlaag duwt de wolken naar beneden. Dan zijn we zomaar getuige van een paradijs. Overal om ons heen zien we bergtoppen, bedekt met sneeuw, die worden beschenen door de zon. Zo onwaarschijnlijk mooi! Het duurt maar net een paar seconden en de wolken drijven weer omhoog en we zitten weer in de mist. Beduusd van dit wonder kijken we elkaar aan. Het is alsof we de cocon van mist en angst heel even ver van ons wierpen en heel even als een vlinder konden vliegen in het paradijs. De wereld is bijzonder veel groter dan de wereld die wij kenden, die van mist en angst.

Ja het is inmiddels weer mistig, maar dat kan ons niet meer deren. Een grootse ervaring rijker beklimmen we de volgende dag de berg die ons scheidt van Frankrijk. Langzaam maar zeker klimmen we boven de wolken uit en genieten op de top van de berg van de grootsheid van de wonderbaarlijk mooie wereld, het beloofde land.