Overpeinzingen

Titus Brandsma

Het was 1932, toen Titus Brandsma werd aangesteld als rector magnificus van de katholieke universiteit van Wageningen. Bij zijn aantreden sprak hij zijn Dies rede uit. De eerste woorden uit die rede luidden als volgt: ‘Onder de vele vragen, welke ik mijzelfe stel, houdt geen mij meer bezig dan het raadsel dat de zich ontwikkelende mens, prat en fier op zijn vooruitgang, zich in zoo grote getale afkeert van God.’

Pater Titus Brandsma, geboren in een katholiek gezin in Friesland, volgde de weg van studie en contemplatie binnen de katholieke zuil. Hij voelde zich sterk aangetrokken door mystici als Theresa van Avila en Johannes van het kruis. Hij was rustig en rusteloos. Hij straalde een innerlijke rust uit maar was ook op velerlei terrein actief, reisde stad en land af om zich in te zetten voor recht en vrede, voor onderwijs, persvrijheid en de Friese taal. De kleine en kwetsbare Titus Brandsma werd in januari 1942 opgepakt door de Nazi’s en kwam nog geen half jaar later om in concentratiekamp Dachau. Fysiek gebroken, maar zijn innerlijke rust onaangetast.

Wat er werkelijk in hem omging is moeilijk te peilen, maar zeker is dat Titus Brandsma een onuitputtelijke bron van kracht vond in Maria, moeder Gods. Zoals Maria, aangeraakt door God, ontvankelijk was voor Gods liefde, de vrucht van Gods liefde droeg in haar schoot en geboren liet worden in de wereld, zo ervoer Titus Brandsma de liefde van God in zijn leven. Hij koesterde en cultiveerde deze liefde in zijn wezen opdat hij in zijn spreken en handelen iets van die liefde zichtbaar maakte in de wereld om zich heen.

Er zijn veel mensen geweest die hem hebben ontmoet en onder de indruk raakten van zijn rust en uitstraling. Zalig is hij geworden volgens de katholieke kerk. Heilig, bijna. Wanneer Titus Brandsma in zijn Dies rede spreekt over het feit dat in zijn tijd, de jaren 30 van de vorige eeuw, zoveel mensen zich afkeren van God, heeft hij het niet zozeer over de ontkerkelijking maar over het gegeven dat mensen geen verbinding meer lijken te kunnen vinden tussen zichzelf en God als bron van leven. 

God wordt ver weg gehouden van het eigen leven, als een abstractie, als een niet meer zinvol begrip. De mens heeft God niet meer nodig, in tijden van grote vooruitgang. Het begrip God krijgt een nostalgische lading, niet meer van deze tijd. Maar door God als een abstract en nostalgisch begrip buiten het eigen bestaan te plaatsen, wordt ook een wezenlijk deel van jezelf buiten gesloten. En ontstaat een vervreemding met je diepste identiteit, vervreemding met de wereld om je heen en met dat wat groter is dan onszelf.  

We zijn inmiddels 90 jaar verder, en ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat die vervreemding een grote rol speelt in het leven van vandaag en de manier waarop we met onszelf, met elkaar en met de wereld om ons heen omgaan. Alsof we het spoor bijster zijn, vervreemd van onszelf, vervreemd van onze diepste identiteit. Titus Brandsma wijst in zijn Diesrede van 1932 op de noodzaak om het godsbegrip opnieuw te definiëren. Niet om de kerk te redden, maar in het belang van het leven zelf, ons samenleven en de schepping waarin we bestaan. En volgens hem kunnen de mystici ons helpen om opnieuw te zoeken naar een way of life die heilzaam is voor onszelf, voor de samenleving en voor de schepping waarin we leven.

Mystici zijn mensen die op enig moment in hun leven geraakt zijn door iets of iemand. Een liefde die overweldigend is. Het laat hen niet meer los en die liefde groeit in die mens, zoals een kind groeit in de moeder. Wanneer die liefde wordt gekoesterd en gevoed groeit er een eenheid een verbondenheid die niet anders kan dan zich naar buiten richten, onstuitbaar als een geboorte, in een manier van leven die eenheid en verbondenheid met de mensen om zich heen en de wereld om zich heen steeds sterker maakt.  

Ik denk dat onze tijd grote behoefte heeft aan mystici, aan mensen die zich ontvankelijk opstellen en zich durven openstellen voor de liefde van God die niet abstract is of nostalgisch, maar leeft in ons binnenste. Nee, we zijn gen heiligen, en dat hoeven we ook niet te worden, wel worden we uitgenodigd om de liefde toe te laten, te vertrouwen op de kracht van dat weerloze kwetsbare en die liefde in onszelf te laten groeien. Midden in een wereld die lijkt te worden ondermijnd door geschreeuw, lawaai, platvloersheid en economisch gewin.  

Ik eindig deze overdenking met een ander citaat uit dezelfde Diesrede van Titus Brandsma, mysticus en heilige: ‘Wij moeten allereerst God zien als de diepste grond van ons wezen, verholen in het meest innerlijke van onze natuur. Die inwoning en inwerking Gods moet niet enkel het voorwerp van intuïtie wezen, maar zich in ons leven openbaren, in onze woorden en daden tot uitdrukking komen uitstralen uit heel ons wezen en optreden.’

We hoeven niet heilig te zijn, maar kunnen ons wel door hen laten inspireren.